Toen in september 1888 een handjevol leden van de toenmalige schutterij hun ontslag kregen vanwege het veelvuldig muziek maken op bruiloften en partijen, besloten zij spontaan tot het oprichten van een eigen muziekkorps. De 'nieuwe harmonie' zoals de Culemborgse Harmonie Crescendo lange tijd genoemd werd, kreeg als 'directeur' Otto Borgstein.
Overigens werd het pas in die tijd gebruikelijk om een vaste persoon als dirigent van een orkest te benoemen. Daarvóór gaf meestal een van de muzikanten de benodigde aanwijzingen voor het samenspel en ook kwam het voor dat iemand met een stok op de grond de maat stond te slaan. Door het steeds ingewikkelder worden van de muziek waren beide functies niet meer te combineren en werd voortaan een 'directeur' aangesteld.
De dissidenten van de schutterij hadden niet bepaald een gemakkelijke start. Ze moesten hun instrumenten bij de schutterij inleveren en de aanschaf van nieuwe moest bekostigd worden uit de revenuen van openluchtconcerten, optreden op bruiloften en partijen en, naast de gewone contributie, de verplichte eigen inleg van wel vijf gulden, een half weekloon in die tijd.